We vertellen graag een goed verhaal

Amsterdam zit vol met goede verhalen. Wij vertellen ze graag om zo de stad tot leven te laten komen. Hier vind je vast een voorproefje van de verhalen die onze gidsen vertellen of onderwerp zijn van de game.


Geertje Dircxs, minnares van Rembrandt, feeks of heldin?

 

Op dit moment is er in Amsterdam (en heel Nederland) de discussie gaande of er niet meer straten vernoemd moeten worden naar vrouwen die van betekenis zijn geweest in de historie. Naar (blanke) mannen zijn vele straten vernoemd en ook bomen, vogels en fruit zijn rijkelijk bedeeld bij het uitdelen van de straatnamen. De grootste uit de geschiedenis hebben zelfs meerdere zaken naar hen vernoemd gekregen, denk aan Vondel met een park en een straat. Rembrandt wordt nog meer vereerd in het straatbeeld, want naast een plein en een park die naar hem zijn vernoemd hebben zelfs een tweetal schilderijen van de hand van de meester een straat gekregen (De Nachtwacht en de Staalmeesters). Toen in het verlengde van het Rembrandtpark het Andreas Ziekenhuis werd afgebroken en daar een nieuwe wijk verscheen werd naar het persoonlijke leven van Rembrandt gekeken. We vinden daar nu een Titus van Rijnstraat, de Saskia van Uijlenburgkade en Hendrikje Stoffelstraat. Stuk voor stuk belangrijke personen in het leven van Rembrandt, en zowaar ook twee vrouwen.

Maar wie een beetje bekend is met het leven van Rembrandt weet dat er nog een derde vrouw in zijn leven was. Zelfs eeuwen na hun dood lijkt het er op dat Rembrandt er voor zorgt dat men het liever niet over haar heeft en ze wordt afgeschilderd als negatieve invloed op een periode van het leven van de schilder.

Geertje werd geboren ergens tussen 1605 en 1610 in Edam. Ze was van eenvoudige komaf, heeft waarschijnlijk in haar jeugd nooit enige scholing gehad, want ze tekende later de stukken van de rechtbank met een soort hakenkruis of een rondje. We weten dat ze in 1634 in het huwelijk trad met scheepstrompetter Abraham Claesz. Dit geluk duurde helaas niet lang, want niet lang erna stierf Abraham.

Vermoedelijk kwam Geertje in 1641 in het leven van Rembrandt. Ze kwam in dienst bij de schilder als “droge min”. Dit betekende dat ze de zorg op zich nam voor de pasgeboren zoon van Rembrandt en Saskia. Saskia was waarschijnlijk al snel te zwak om zelf voor Titus te zorgen en zij stierf in 1642. Volgens de eerste biograaf van Rembrandt, Houbraken, kregen ze al snel na de dood van Saskia een intieme relatie. Houbraken heeft niet zelf meer met Rembrandt kunnen praten, maar wel een aantal van zijn leerlingen gesproken. Zij beschrijven het “boerinnetje van Rarep of Ransdorp in Waterlant” als “wat klein persoon maar welgemaakt van wezen en poezel van lichaam”. Voor de leerlingen kwamen Rembrandt en Geertje over als een getrouwd stel. In haar testament, duidelijk geregisseerd door Rembrandt, had Saskia haar familiejuwelen aan Titus geschonken. Maar als vader en voogd (een zeer ongebruikelijke combinatie in die tijd) van Titus behield Rembrandt alle recht van eigenaarschap over de erfenis. Hij gaf (een deel van?) de sieraden aan zijn geliefde Geertje. Dit was tegen het zere been van de familie van Uijlenburg, die recht hadden op de sieraden bij het hertrouwen van Rembrandt. Ze spraken er schande van dat hij in zonde leefde met zijn kindermeisje. In 1648 heeft Geertje bij de notaris vast laten leggen, waarschijnlijk onder druk van Rembrandt, dat ze al haar bezittingen, waaronder de juwelen, bij haar dood na zou laten aan Titus.

In 1649 verlaat Geertje het huis van Rembrandt. Dit is niet lang nadat Hendrickje Stoffels in dienst komt bij Rembrandt. Het is aan te nemen dat de schilder verliefd is geworden op haar, met wie hij uiteindelijk nog tot haar dood in 1663 een relatie heeft gehad. Bij haar vertrek bood Rembrandt haar aan om 60 gulden per jaar aan haar te geven en per direct 160 gulden. Dan moest ze we vasthouden aan het testament dat ze een jaar eerder had vastgelegd. Geertje ging hier niet mee akkoord en moest de juwelen belenen bij de stadsbank van lening. Ook daagde ze Rembrandt voor de huwelijkskrakeelkamer. Zij verklaarde meer geld te willen hebben omdat Rembrandt haar ten huwelijk zou hebben gevraagd. Dit stond in de 17e eeuw bijna gelijk aan trouwen. Hierop bood Rembrandt 100 gulden per jaar te betalen en 200 gulden direct, zodat de juwelen teruggekocht konden worden. In een onderhoud hierover in het huis van Rembrandt is flinke ruzie ontstaan en Geertje weigerde te tekenen. Hierop ging ze weer naar de huwelijkskrakeelkamer en de bij de derde sommatie kwam Rembrandt eindelijk opdagen. Zij oordeelde dat Rembrandt Geertje per jaar 200 gulden alimentatie moest geven tot haar dood.

Rembrandt heeft deze alimentatie nooit betaald en Geertje was genoodzaakt om de juwelen opnieuw te belenen. Er is niet direct bewijs voor dat Rembrandt er achter zat, maar niet lang nadat hem dit ter ore was gekomen, verklaarden familie en vrienden van Geertje dat zij zich onwettelijk gedroeg. Wat er precies is verklaard is niet bewaard gebleven maar het was genoeg voor de burgemeesters om haar 12 jaar naar het tuchthuis te sturen. Waarschijnlijk was die in Amsterdam vol, want ze werd in 1650 naar het spinhuis in Gouda gebracht. De transportkosten van 140 gulden, die door de familie betaald moest worden, werd door Rembrandt voor geschoten. In 1651 vond de Goudse magistraat van het spinhuis waarschijnlijk dat er te weinig familieleden gehoord waren voor het uitspreken van de straf. Hierop stuurde Rembrandt vertrouwelinge Cornelia Jans naar Edam, om nog meer verklaringen los te weken bij de familie van Geertje. Dit lukte en Geertje bleef vast zitten tot in 1655 een vriendin (?) van haar, Trijntje Jacobs, ter ore kwam dat ze ziek was geworden in het spinhuis. Dit was een reden tot vrijlating. Ondanks dat Rembrandt haar bedreigt heeft en hij brieven schreef naar de magistraat om haar vast te laten zitten lukte het Trijntje om haar vrij te krijgen.

Terug in Edam spant ze een geding aan tegen Rembrandt over de onrechtmatige opsluiting. Als bewijs geeft ze aan dat hij de transportkosten had betaald. Rembrandt brengt hier tegen in dat hij dat geld alleen maar aan haar familie heeft geleend. Ook eist ze een grote som geld. Bij het faillissement van Rembrandt is zij een van de grootste schuldeisers. Er is zelfs een vermoeden dat Rembrandt zich failliet heeft laten verklaren om haar niet te hoeven betalen, die andere schuldeisers, die hem een paar jaar ervoor uit de brand hadden geholpen drongen nog niet echt aan op terug betaling. Na 1656 horen we niets meer van Geertje. Hoogst waarschijnlijk is ze in dat jaar gestorven.

Hoe moeten we Geertje Dircx nu zien in de geschiedenis en het leven van Rembrandt? Als geldbeluste feeks die op zijn rijkdom uit was of als zelfbewuste moedige vrouw die voor haar rechten op kwam, wat voor die tijd zeer uitzonderlijk was. Rembrandt lijkt vooralsnog (wat de straatnamen commissie betreft) het pleit gewonnen te hebben.

 

 

Bron: Wijnman, H. F. (1968) EEN EPISODE UIT HET LEVEN VAN REMBRANDT: DE GESCHIEDENIS VAN GEERTJE DIRCKS, Jaarboek Amstelodamum, p. 106-19

Wie was Jaco

 

Jaco is onze eigen Amsterdamse Robin Hood. Hij stal van de rijken en verdeelde de buit weer onder de arme Amsterdamse mensen. Dat vond de rijke elite van de stad natuurlijk niet leuk, dus die gaven de schout (Hoofd van politie van die tijd) de opdracht hem gevangen te nemen en te berechten. Het lukte Jaco keer op keer om uit de handen te blijven van de schout. Dat kon hij onder andere doordat hij in zijn huis op de Elandsgracht allerlei vluchtwegen gemaakt had. Dit huis heet het “fort van Jaco” en op de plek waar die stond herinneren gevelstenen nog steeds aan Jaco en zijn huis. 

 

 

Oproer in de Jordaan

 

Palingoproer

Het was zo gezellig geweest de week ervoor. Om de mensen van de Jordaan even uit de dagelijkse sleur te halen, die voor veel buurtbewoners niet rooskleurig was, hadden ze een zakloopwedstrijd voor de buurtkinderen georganiseerd. Het was druk geweest, de drank had rijkelijk gevloeid maar iedereen had het gezellig gehad en was met een goed gevoel weer naar huis gegaan. De hoofdagent was nog wel langs geweest en had wat gemompeld dat er eigenlijk een vergunning aangevraagd had moeten worden, maar verder was het allemaal rustig geweest.

Een aantal Jordaners vatte in de week erna het plan op om de volgende zondag weer een feest te organiseren. Ze kwamen met een spectaculair plan om een oud palingtrekken te organiseren. Over de Lindengracht werd een touw gespannen. In het midden van het touw werd er een levende paling aan gebonden. De deelnemers stonden op kleine roeibootjes, gingen onder het touw door en dan was de bedoeling dat degene die op het bootje stond de paling van het touw zou trekken. Wie de paling er af trok mocht hem houden. Om de feestvreugde nog groter te maken werd de paling nog ingesmeerd met olie om de paling nog gladder te maken. Hierdoor was de kans groter dat de deelnemer met kleren en al in het water viel. Daar ging het de toeschouwers om.

Het palingtrekken was door de wet in 1850 verboden, omdat men het wreed volksvermaak en een kwelspel vond; dierenleed. Daar trokken de Jordanezen zich die 25e juli 1886 niets van aan. Een touw werd over de gracht gespannen en de bootjes werden in de gracht klaar gelegd. De hoofdagent kwam dit ter ore en spoedde zich naar de gracht. Hij ging naar de organisatoren en drukte hen op het hart dat dit feest toch echt niet door kon gaan. Na toezegging van de organisatoren dat ze zouden stoppen met de voorbereidingen ging de hoofdagent met een gerust hart weer weg.

Later die middag kwam hem ter ore dat er toch sprake was van palingtrekken op de gracht. Hij nam twee agenten mee en liep naar de gracht. Daar was een grote menigte bijeen om het spektakel te bekijken. Er werd gejuicht en gejoeld om de mannen in de wankele bootjes. De agenten riepen tegen de bewoner van het huis waaraan het touw vast zat om deze direct los te maken. De bewoner weigerde. Een andere agent ging naar het onbewoonde huis aan de andere kant van de gracht. Hij verschafte zich toegang en sneed het touw door. Dit was tegen het zere been van de menigte, die zich tegen de politie keerden. De agent die het touw had door gesneden werd overmand door de menigte, in een kelder gesmeten en liep rake klappen op. De andere twee agenten konden zich bevrijden en vluchtten naar het bureau. Daar sloegen ze alarm en alle aanwezige agenten gingen direct op de menigte af. Ook van andere bureaus kwamen agenten aan. Ze trokken de blanke sabel en knuppels en sloegen op de boze menigte in. De agenten werden op hun beurt getrakteerd op een regen van stenen, die uit de straat getrokken werden. De avond viel in, de straatverlichting ging aan maar werd door de menigte weer uitgedraaid. Pas laat op de avond keerde de rust weer terug in de Jordaan. De burgemeester verordonneerde om direct alle straten te herstellen zodat de volgende dag het normale leven weer hervat kon worden. 

Dit plan leek te slagen. De ochtend van de 26e juli verliep rustig, maar in de loop van de dag werd de sfeer anders. Er werden barricades opgeworpen in enkele straten en grachten. Op sommige van die barricades was een rode vlag te zien, het teken van de socialisten. Om drie uur in de middag loopt er een menigte met rode vlaggen door de Westerstraat, bewapend met messen en de Marseillaise aan het zingen. De politie trok zich terug overtuigd dat ze hier nu niets tegen konden doen. Ze riepen het hulp in van het leger, die de avond ervoor al ingeseind was. 

Tegen zes uur stond het leger recht tegenover de demonstranten. Onder de demonstranten ging het verhaal dat de soldaten alleen met losse flodders zouden schieten, dus gingen ze niet in op de oproep om de straten te verlaten. Een jongeman ging uitdagend met een rode vlag op de barricade staan. Het leger schoot en de jongeman viel levenloos neer, hij was in zijn hoofd geraakt en op slag dood. Men was even vertwijfeld, maar daarna braken de onlusten los. Een regen van stenen viel op de infanteristen neer die zich gesteund wisten door huzaren en cavaleristen. Ook vanaf de daken en uit de ramen kwamen allerlei projectielen op het leger neer. Die beantwoorde dit met vele salvo’s. Het was zo hevig dat het leger zich moest terug trekken. Ze legden een cordon om de straten waar de onlusten waren geweest, zodat er niemand meer in of uit kon. Met het terugtrekken van het leger waren de onlusten voorbij. Er werden vele gewonden naar het Binnengasthuis gebracht en uiteindelijk waren er die dag 26 doden te betreuren. Een aantal van deze doden en gewonden hadden niets met de rellen te maken, maar werden in hun eigen huizen geraakt of tijdens het helpen van de gewonden.

Op 27 juli werd de schade weer snel hersteld en de militairen werden nog een aantal dagen op strategische plekken gestationeerd. De families van de slachtoffers werd opgedragen om de begrafenissen op 30 juli te laten plaatsvinden en moesten voor 10 uur in de ochtend afgelopen zijn. 

Hoewel de socialisten er niets mee te maken hadden was de opstand toch een teken van hoe de toestand was in die periode. Er waren maar weinig rechten voor arbeiders en de armoede in delen van de stad was groot. Het Palingoproer was toch een katalysator voor de positieve veranderingen op dit vlak in de jaren die hierop volgde.

 


"We raden dit voor ieder bedrijf aan."